Dagelijks archief: 8 maart, 2026

Hij wacht op je. Commentaar voor echtparen: Joh. 4, 5-42

Evangelie van de dag.

Lezing uit het heilige evangelie volgens Johannes

Jezus kwam zo aan een stad van Samaria, Sichar genaamd, dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.
Daar bevond zich de bron van Jakob en vermoeid van de tocht ging Jezus zomaar bij deze bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur.
Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten zei Jezus tot haar: ‘Geef Mij te drin­ken.’
De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om levensmiddelen te kopen.
De Samaritaanse vrouw zei tot Hem: ‘Hoe kunt Gij als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaan­se?’ Joden onderhouden namelijk geen betrekkingen met de Samaritanen.
Jezus gaf haar ten antwoord: ‘Als ge enig begrip had van de gave Gods en wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.’
Daarop zei de vrouw tot Hem: ‘Heer, Ge hebt niet eens een emmer en de put is diep; waar haalt Ge dan dat levende water vandaan?
Zijt ge soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?’
Jezus antwoordde haar: ‘Iedereen die van dit water drinkt krijgt weer dorst,
maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een water bron worden, opborrelend tot eeuwig leven.’
Hierop zei de vrouw tot Hem: ‘Heer geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en niet meer hier behoef te komen om te putten.’
Jezus zei haar: ‘Ga uw man roepen en kom dan hier terug.’
‘Ik heb geen man,’ ant­woordde de vrouw. Jezus zei haar: ‘Dat zegt ge terecht: ik heb geen man;
want vijf mannen hebt ge gehad, en die ge nu hebt is uw man niet. Wat dit betreft hebt ge de waarheid gesproken.’
‘Heer, zei de vrouw, ik zie dat Gij een profeet zijt.
Onze vaderen aanbaden op die berg daar, en gij, Joden, zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet.’
‘Geloof Mij, vrouw,’ zei Jezus haar, ‘er komt een uur dat gij noch op die berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.
Gij aanbidt wat gij niet kent; wij aanbidden wat wij kennen, omdat het heil uit de Joden komt.
Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbid­ders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden.
God is geest, en wie Hem aanbidden moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.’
De vrouw zei Hem: ‘Ik weet dat de Messias (dat wil zeggen: de Gezalfde) komt, en wanneer Die komt zal Hij ons alles verkondigen.’
Jezus zei haar: ‘Dat ben Ik, die met u spreek.’
Juist op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug en stonden verwonderd dat Hij in gesprek was met een vrouw. Geen van hen echter vroeg: ‘Wat wilt Ge van haar?’ of ‘Waarom praat Gij met haar?’
De vrouw liet haar waterkruik in de steek, liep naar de stad terug en zei tot de mensen:
‘Komt eens kijken naar een man, die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb! Zou Hij soms de Messias zijn?’
Toen verlieten zij de stad om naar Hem toe te gaan.
Onder­tussen drongen de leerlingen bij Hem aan met de woorden: ‘Eet toch iets, Rabbi.’
Maar Hij zei hun: ‘Ik heb een spijs te eten die gij niet kent.’
De leerlingen zeiden tot elkaar: ‘Zou iemand Hem soms te eten gebracht heb­ben?’
Daarop zei Jezus hun: ‘Mijn spijs is, de wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen.
Zegt gij niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst? Welnu, Ik zeg u: slaat uw ogen op en kijkt naar de velden; ze staan wit, rijp voor de oogst.
Reeds krijgt de maaier zijn loon en verzamelt vrucht tot eeuwig leven, zodat zaaier en maaier zich samen verheugen.
Zo is het gezegde waar: de een zaait, de ander maait.
Ik stuurde u uit om te maaien waarvoor gij niet hebt ge­zwoegd; anderen hebben gezwoegd en gij plukt van hun zwoegende vruchten.’
Vele Samarita­nen uit die stad geloofden in Hem om het woord van de vrouw die getuigde: ‘Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb.’
Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren, verzochten zij Hem bij hen te blijven. Hij bleef er dan ook twee dagen
en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof.
Tot de vrouw zeiden ze: ‘Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is.’
Woord van de Heer.
Hij wacht op je

Niets is toeval, niets ontsnapt aan Gods blik. Hij houdt zoveel van ons dat Hij elke kans aangrijpt. Jezus wacht altijd op ons, in alle omstandigheden van ons leven, en wil graag een gesprek met ons aangaan om ons Zijn Hart te tonen. We kunnen Hem negeren, en dan zal de genade die Hij voor ons in petto had voorbijgaan, en zullen we die verloren hebben. We kunnen een gesprek aangaan waarin we alleen over wereldse zaken praten: over de dingen die ik nodig heb, over de dingen die ik wil…, maar zonder Jezus in ons hart toe te laten, en dan zal er niets in ons leven veranderen, noch zullen we Zijn genade laten werken. Ten slotte kunnen we de Heer in ons hart laten komen en ons onze waarheid laten zien en ons naar Zijn Hart vol Liefde leiden. Dan zal er iets wonderbaarlijks gebeuren: Hij zal ons leven beetje bij beetje, zonder dat we het merken, veranderen en ons tot getuigen van Zijn Liefde, van Zijn Hart maken.

Teruggekeerd naar het huwelijksleven:

Adolfo: Rosa, ik weet dat ik je beloofd heb dat ik vandaag terug zou komen van mijn reis. Maar mijn collega wil dat ik nog een dag bij hem blijf, om te profiteren van het feit dat we hier zijn om een aantal plaatsen te bezoeken en te dineren met mensen van het bedrijf in dit land…
Rosa: Je doet me altijd hetzelfde aan, je belooft me van alles, maar je komt je beloften nooit na… Ik ben het zat. Ik denk dat we ermee moeten stoppen…
Adolfo: Wat bedoel je, ermee stoppen, met ons huwelijk? Je bent altijd hetzelfde…
Rosa: Luister, laat me met rust. Ik hang op.
(De volgende dag gaat Rosa, na lange tijd niet naar de parochie in de buurt te zijn geweest, alsof ze gehoor geeft aan een roeping in haar hart. Daar ziet ze dat er een priester in de biechtstoel zit. Ze biecht en gaat naar de kapel van het Heilig Sacrament)
Rosa: Heer, ik weet niet wat me hierheen heeft gebracht, maar na zo lang lijden in mijn huwelijk met Adolfo, voel ik voor het eerst een vrede die niet van deze wereld is. Ik weet dat het komt doordat ik hier ben gekomen om te biechten en hier voor U te staan, verborgen in het tabernakel. Wat een vrede voel ik hier. Nu weet ik dat U van mij houdt en dat U altijd op mij hebt gewacht. En kijk, de ruzie van gisteren heeft mij hier gebracht. Nu weet ik waar ik heen moet om kracht te vragen en om troost, zodat mijn arme liefde voor Adolfo verandert in echte, zuivere liefde. Dank U, Heer, dat U mij hebt gevonden.
(Adolfo kwam terug en trof een andere Rosa aan, vrolijk en gastvrij. Elke dag ontsnapte ze even naar de parochie, maar dat kon hem niets schelen, want hij hield van de nieuwe Rosa. In feite voelde hij zich ook aangetrokken om naar de parochie te gaan, maar hij durfde nog niet. Alles komt goed.)

Moeder,

U die Jezus altijd in uw hart draagt, leer ons hoe we met Hem moeten omgaan, hoe we een intieme relatie met Hem kunnen hebben, zodat we alles in Hem, met Hem en door Hem kunnen beleven.