Evangelie van de dag
Lezing uit het heilige Evangelie volgens Marcus
zodat Hij in een boot die op het water lag moest stappen, om daar plaats te nemen,
terwijl al het volk zich langs het meer op het land bevond.
Hij leerde hun vele dingen door middel van gelijkenissen, en in zijn onderricht zei Hij tot hen:
‘Luistert. Eens ging een zaaier uit om te zaaien.
Toen hij aan het zaaien was, viel een gedeelte op de weg en de vogels kwamen het opeten.
Een ander gedeelte viel op de rotsachtige plekken waar het niet veel aarde had;
het schoot snel op, omdat het in ondiepe grond lag.
Maar toen de zon was opgekomen, kreeg het te lijden van de hitte, zodat het verdorde bij gebrek aan wortel.
Weer een ander gedeelte viel onder de distels en deze schoten op zodat het verstikte en geen vrucht opleverde.
Een ander gedeelte tenslotte viel op goede grond en doordat het opschoot en zich ontwikkelde,
leverde het vrucht op en bracht het dertig ‑, zestig ‑, en honderdvoudige voort.’
En hij voegde er aan toe: ‘Wie oren heeft om te horen, hij luistere.’
Toen Hij weer alleen was, stelde zijn omgeving, ook de twaalf, Hem vragen omtrent de gelijkenissen.
Hij antwoordde hun: ‘Aan u is het geheim van het Rijk Gods geschonken,
maar zij die erbuiten staan, krijgen alles in gelijkenissen,
opdat zij wel scherp kijken met hun ogen maar niet zien, en wel luisteren met hun oren
maar niet verstaan, opdat zij zich niet zouden bekeren en vergiffenis krijgen.’
En hij vervolgde: ‘Begrijpt ge deze gelijkenis niet? Hoe zult ge dan alle gelijkenissen verstaan?
De zaaier zaait het woord.
Die op de weg ‑ waar het woord gezaaid wordt ‑ zijn de mensen bij wie, als zij het gehoord hebben,
terstond de satan komt en het woord wegrooft dat gezaaid ligt in hun binnenste.
Op dezelfde manier zijn zij die op de rotsachtige plekken gezaaid worden,
de mensen die als zij het woord gehoord hebben, het terstond met blijdschap opnemen;
maar zij hebben geen wortel geschoten, leven bij het ogenblik,
en als zij omwille van het woord onderdrukt of vervolgd worden, komen zij onmiddellijk ten val.
Die tussen distels gezaaid worden, zijn weer anderen, die het woord wel gehoord hebben,
maar wanneer de zorgen van de wereld, de begoocheling van de rijkdom en de begeerten
naar al het andere binnendringen, verstikken die het woord en zo blijft het zonder vrucht.
De in de goede grond gezaaiden zijn de mensen die het woord horen,
het in zich opnemen en vrucht dragen: dertig ‑, zestig ‑, en honderdvoudig.’
God is een onvermoeibare zaaier. Elke dag komt Hij ons tegemoet. Hij geeft Zichzelf aan ons, Hij wil Zijn genade over ons uitstorten omdat Hij ons wil heiligen, ons wil vergoddelijken. Wat is God goed! We hebben nooit een tekort aan zaad. We hebben nooit een tekort aan genade. Wat soms ontbreekt, is de voorbereide grond, want de zaaier is altijd vrijgevig, maar de grond is niet altijd geschikt. De vraag is eenvoudig: wat voor soort grond ben ik? Laten we ons niet afleiden of misleiden door de boze, want om vruchtbare grond te bereiden is een leven van gebed onontbeerlijk. De ziel is geschapen om God te ontvangen en we ontvangen Hem niet door veel dingen voor Hem te doen, ook al zijn het heel goede dingen, we ontvangen Hem in het gebed. In het gebed groeien we in die intimiteit met de Heer en in die intimiteit worden we vervuld van Zijn liefde en van alle genade die Hij ons wil schenken. De vrucht, de transformatie van een heel leven en de vereniging met Hem.
Toegepast op het huwelijksleven:
Albert: Esther, ik heb gemerkt dat zodra we het gebed verwaarlozen, de sfeer thuis begint te verslechteren, is het je opgevallen?
Esther: Ik observeer dit al een tijdje en ik durf te zeggen dat er een evenredig verband is. Als we niet of weinig bidden, krijgen we meteen ruzie, komen er verwijten, wrok, veroordelen we elkaar… en ik vraag de Heer al een tijdje om me te laten zien wat het mysterieuze verband is tussen het een en het ander.
Albert: En?
Esther: Nou, Hij heeft het me laten zien. Jezus zelf zegt in Johannes 5:42 dat de liefde van God niet in ons is. En ik denk dat hier de sleutel ligt; ofwel hebben we de liefde van God, ofwel hebben we onze eigen liefde. En we weten hoe die van ons is: beperkt en al snel komt het egoïsme naar boven.
Albert: Ik begrijp het… en om ons te vullen met de liefde van God moeten we dus bidden. Hoe meer we bidden, hoe meer liefde er tussen ons is, en als we niet bidden… gaat het slecht met ons.
Esther: Precies, liefde is recht evenredig, want met die ontvangen liefde houden jij en ik van elkaar… wat vind je ervan?
Albert: Wat ben je toch goed in de wiskunde van de liefde!
Moeder,

